Nieuws

Koninklijke Onderscheidingen

Heb je vandaag een Koninklijke Onderscheiding ontvangen? Laat het ons weten!

 

Ben je lid van de VBM of BBTV en heb je op 24 april 2026 een Koninklijke Onderscheiding in ontvangst mogen nemen? Dan horen wij dat graag. Meld je onderscheiding bij ons via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

 

(Foto: MCD/Sjoerd van der Hucht)

 

Arbeidsvoorwaarden-onderhandelingen formeel gestart

De Centrales van Overheidspersoneel ('de vakbonden') en de Staatsecretaris van Defensie hebben op 16 april 2026 de onderhandelingen over een nieuw pakket aan arbeidsvoorwaarden voor het defensiepersoneel afgetrapt. In een vergadering van de werkgroep arbeidsvoorwaarden hebben ze gesproken over de manier waarop zij samen de komende tijd het overleg willen vormgeven. Beide partijen vinden het belangrijk dat er een zorgvuldig proces doorlopen wordt, dat na goede gesprekken en discussies voor het zomerreces kan worden afgesloten met een onderhandelaarsakkoord, waarna dit aan de achterbannen zal worden voorgelegd. Zij willen graag komen tot een akkoord dat aansluit bij het lopende akkoord.

(Foto: kapitein Joris van Duin)

Onze speerpunten voor de arbeidsvoorwaarden-onderhandelingen 2026

Sinds begin jaren ‘90 wordt er bij Defensie op voet van gelijkwaardigheid onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden door de werkgever Defensie en de centrales van overheidspersoneel (de bonden). Een groot goed dat met de introductie van het zogenaamde sectorenmodel werd gerealiseerd. Vóór 1993 konden arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden bepaald en opgelegd aan de defensiemedewerker!

Niet zo lang daarvoor, in 1989, was de Berlijnse Muur gevallen. In de jaren daarna werd Defensie meer en meer het kind van de rekening door het innen van het ‘vredesdividend’. In de 30 jaar die volgden stond Defensie onder druk van krimp en hervormingen (bezuinigingen, de nullijn, het verhogen van de AOW-leeftijd, overgang in pensioenopbouw van eindloon naar middelloon, de verkorting van de UGM, enzovoort). De defensiebegroting slonk tot onder de 1% van het bruto binnenlands product (bbp), een dieptepunt wat ons betreft.

Wij markeren het Arbeidsvoorwaardenakkoord (AV-akkoord) 2021-2023 als een kentering omdat toen, na meer dan 100 jaar, het bezoldigingssysteem militairen fundamenteel werd gemoderniseerd en de loontabel van de rangen en standen tot aan de rang van hoofdofficier met een structurele injectie van 500 miljoen euro is verbeterd. Dit bovenop de generieke loonontwikkeling. In de twee akkoorden die hierop volgden was er in totaal een structurele loonontwikkeling van nogmaals 14%, naast de meerdere incidentele beloningen.

Is dit nu allemaal borstklopperij? Nee: er was in 2022 immers een CPI-inflatie van 10% (Consumenten Prijs Index, bron CBS). Maar het markeert wel dat we de laatste jaren veel bereikt hebben. Veelzeggend is dat Defensie op de ranglijst van aantrekkelijke werkgevers weer duidelijk is gestegen! Onze ambitie is echter groter.

Het huidige AV-akkoord loopt per 1 september aanstaande af. Ons streven is wederom een nieuw aansluitend akkoord af te sluiten.

Wat is onze inzet?

In de eerste maanden van dit jaar hebben veel leden gereageerd op onze oproep om ideeën voor een nieuw AV-akkoord aan te dragen. Deze vormen de input voor onze inzet. Hieronder schetsen wij elementen die daarbij nadrukkelijk en vaak werden genoemd. Graag nemen wij die over. Dat wil niet zeggen dat andere ideeën, voorstellen of suggesties geen plek in de onderhandelingen krijgen.

     1. Elementen voor al het defensiepersoneel

We streven ernaar om aan te sluiten bij de trend van loonontwikkeling in diverse sectoren, niet zijnde het Rijk, waarbij we voor iedereen een significante structurele loonsverhoging willen realiseren die de koopkracht verbetert.

Daarnaast streven we naar een AV-akkoord met een looptijd van twee jaar om stabiliteit te waarborgen en de tijd te gebruiken om (lopende) afspraken met Defensie uit te werken en in te voeren.

Mobiliteit sluit nu al aan bij de fiscale maxima en de vergoeding start bij 0 kilometer. Het kunnen reizen in een combinatie van vervoersvormen, zoals deels eigen vervoer en deels openbaar vervoer, is ingevoerd. Wat ontbreekt is een vergoeding voor reizen op de kazernes en andere defensielocaties. Dit terwijl enkele reisafstanden hier kunnen oplopen tot zo’n kleine 10 kilometer.

We hebben succesvol een Individueel Keuze Budget (IKB) ingevoerd, waaraan alle defensiemedewerkers kunnen deelnemen. Nu is het tijd om de doelen te verruimen, zoals de veel genoemde studieschuld, maar ook de (verdere) verduurzaming van de eigen woning. Tevens willen wij het bedrag verhogen dat je per periode mag inzetten als IKB-budget voor je doel(en). Hierdoor krijgen alle defensiemedewerkers meer flexibiliteit. Dit doet recht aan het basisprincipe van een IKB: individuele keuzes en behoeftes invullen. Tevens streven wij ernaar om de omvang van het spaarverlof te verhogen.

In het kader van keuzevrijheid zijn wij voor het flexibeler kunnen opnemen van verplichte feestdagen.

In het kader van personeelsbehoud en het maken van keuzes door de medewerker zijn wij een voorstander van het verruimen van de mogelijkheid voor de vrijwillige keuze om de werkweek te verlengen. Daartegenover zou een incentive moeten staan die deze keuze stimuleert.

Defensie wil in personele omvang groeien. De helft van onze samenleving – vrouwen – zijn bij Defensie ondervertegenwoordigd: 30% bij het burgerpersoneel en slechts 12% bij de militaire populatie. Wij dienen afspraken te maken om ervoor te zorgen dat vrouwelijke medewerkers duurzaam inzetbaar blijven, zich gesteund voelen in hun werkomgeving en betrokken blijven bij hun werk. Die afspraken moet gaan over het doorbreken van taboes en aandacht voor specifieke gezondheidsklachten bij vrouwen, deze bespreekbaar maken en maatregelen nemen die uitval en irregulier verloop tegengaan.

Wij hebben in 2024 maatregelen genomen om het Voorzieningenstelsel Buitenland Defensiepersoneel (VBD) te verbeteren. Wat ons betreft blijft het VBD hierbij de basis, maar gaan we het wel vernieuwen door het te vereenvoudigen en – nog belangrijker – de transparantie te vergroten, waarbij de medewerker kan nagaan hoe de hoogte van de toelagen tot stand is gekomen.

Wij gaan uit van het verlengen van het SBK 2012 tot het moment dat wij dit, zoals we eerder hebben afgesproken, in de regelgeving hebben verankerd.

     2. Elementen specifiek voor militair personeel

Belangrijk is dat verschillen en overeenkomsten tussen beroepsmilitairen en reservisten uitlegbaar zijn. In lijn met de gelijkwaardigheid willen we stappen zetten voor al het militair personeel. Daarbij hebben wij de afgelopen periode nadrukkelijk gekeken hoe de rechtspositie voor de reservist daar waar mogelijk geharmoniseerd kan worden met die van de beroepsmilitair. Deels ligt de bal daarbij bij Defensie. In de bedrijfsvoering gaat nog veel mis. De lijst van signalen is lang, maar het weghalen van archaïsche administratieve handelingen en processen en het tijdig uitbetalen van bezoldiging scoren hoog. Daarmee moeten we aan de slag, maar daar gaan de arbeidsvoorwaardengesprekken niet over. Op arbeidsvoorwaardengebied willen wij koersen op de introductie van een voorziening reservisten die tegemoetkomt in de ziektekosten.Ook het beschikbaar stellen van een persoonlijk opleidingsbudget (POB) zou op zijn minst tot de mogelijkheden moeten horen. Verder willen wij aandacht besteden aan specifieke tegemoetkomingen of budgetten voor reservisten. Input door het ‘technisch werkverband rechtspositie reservisten’ is daarbij van groot belang.

De afgelopen periode zijn wij een SIC-regeling (Snel Inzetbare Capaciteit) en RMI-regeling (Regeling Militaire Inzet) overeengekomen.

De SIC-regeling wordt wat ons betreft te beperkt toegepast: nu alleen voor NAVO- en EU inzet. Dit zou wat ons betreft verbreed moeten worden naar de voorbereiding van snelle inzet in opdracht van de CDS, of dit nu nationaal, bi- of trilateraal is, denk hieraan als voorbeeld de Marine Spearhead Task Unit (MSTU), ondergebracht bij CZSK.

De vergoedingen uit de RMI-regeling willen we graag evenwichtig verbeteren, om het verschil tussen beloning voor inzet versus oefenen, varen of meerdaagse activiteit te vergroten. Hierbij dient extra aandacht te worden gegeven aan RMI-3, de inzet in het binnenland ter ondersteuning van de lokale autoriteit.

De TOD voor de militair is nu ingeregeld op basis van het werkelijk gedraaide rooster, de zogenaamde TOD-achteraf. Wij zijn van mening dat het huidige uurtarief dat in 2022 is vastgesteld, onvoldoende is en dient te worden verhoogd.

Wij willen voor de militair de ingeslagen weg van herziening van het toelagenstelsel voortzetten, zoals het opheffen van de groepenindeling in de VROB-regeling (Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid). Bij de herziening is het van belang dat duidelijk wordt gemaakt welke activiteit en/of eventuele beschikbaarheid daarvoor met welke vergoeding wordt gecompenseerd.

     3. Elementen specifiek voor burgerpersoneel

Gelijkwaardigheid tussen de diverse groepen defensiepersoneel is voor ons een groot goed. Verschillen in voorzieningen kunnen begrijpelijk en uitlegbaar zijn. Waar dat niet het geval is, is het voor ons wenselijk om verder te gaan met het harmoniseren van voorzieningen voor militairen en burgerpersoneel. In eerdere AV-akkoorden zijn stappen gezet, maar deze zijn onvoldoende. Om het verschil in bezoldiging tussen de burgermedewerker en de militair daar waar zij samenwerken begrijpelijker te maken, zien wij meerdere mogelijkheden. Als eerste introduceren wij een (aanstellings)toelage voor specialistische burgerfuncties waaraan Defensie een sterke behoefte heeft. Ten tweede implementeren wij de aanbevelingen van de onderzoekscommissie Functiewaarderingssystemen en willen we nagaan of we de recente uitkomsten van het functiewaarderingssysteem FUWA RIJK, die onder andere een herwaardering van het uitvoerende werk kent, naar defensiewaardering kunnen vertalen.
Op het vlak van beloning van onregelmatig werken willen wij de TOD voor burgerpersoneel laten aansluiten bij de maximum uurloonvergoeding die hoort bij schaal 8 in plaats van de huidige schaal 7.
Daarnaast streven we ernaar om het basis persoonlijk opleidingsbudget (POB) tussen burgers en militairen gelijk te trekken.

Wij willen voor de burgermedewerker in het licht van de duurzame inzetbaarheid met Defensie afspraken maken over mogelijkheden om het sporten in werktijd voor burgers niet alleen mogelijk te maken, maar ook te verankeren, inclusief een tegemoetkoming in de hiervoor noodzakelijke middelen.
Voorts willen wij met Defensie tot afspraken komen die de burgermedewerkers niet alleen meer duidelijkheid, maar ook meer bescherming bieden zodra zij (vooral in het buitenland) worden ingezet, voornamelijk met betrekking tot de verzekeringsmogelijkheden.

Tot slot willen we de zogenaamde overlap in het functiewaarderingssysteem voor militairen (die het mogelijk maakt dat eenzelfde score twee verschillende rangen en dus twee verschillende bezoldigingen kan opleveren) afschaffen, maar zeker verkleinen.

Wat ons betreft verwoordt deze brief de hoofdelementen om te komen tot een nieuw AV-akkoord voor de jaren 2026 tot en met medio 2028. Dat wil voor ons echter niet zeggen dat andere onderwerpen geen plek kunnen krijgen in de onderhandelingen. Mocht uit de gesprekken blijken dat onze focus niet past, dan voelen wij ons vrij om binnen de door ons gekozen richting andere onderwerpen in te brengen.

Wij gaan graag voor jou het gesprek met Defensie aan.

 

Foto: MCD/Aaron Zwaal

Bestuurservaring opdoen?

Ben jij geplaatst op – of woonachtig in de regio rondom – de Johan Willem Frisokazerne? En lijkt het je interessant om op laagdrempelige wijze bestuurservaring op te doen?

De VBM is op zoek naar enthousiaste leden die een waardevolle bijdrage willen leveren aan het bestuur van de VBM-afdeling Assen. We zoeken liefst actief dienende leden, maar ook postactieven zijn van harte welkom.

De afdeling Assen heeft momenteel geen afdelingsbestuur. Hiermee gaan belangrijke stemmen verloren en hebben de leden die woonachtig zijn in deze regio geen inspraak tijdens onze Algemene Vergadering. Het mag duidelijk zijn dat enthousiaste (ex)defensiecollega’s die zich willen inzetten binnen het afdelingsbestuur, meer dan welkom zijn.

Het gaat om vrijwilligerswerk, maar wel met een vergoeding. Dit bestuurswerk biedt een laagdrempelige manier om je competenties en vaardigheden aan te vullen en je netwerk, niet alleen binnen Defensie maar ook binnen de vakbond, te vergroten. Bovendien kun je invloed uitoefenen op de richting van de vereniging en je stem laten horen bij de besluiten die genomen worden. Je inbreng vanaf de werkvloer is van groot belang voor de VBM. Je wordt in een vroegtijdig stadium bijgepraat over allerlei onderwerpen die spelen bij de vakbond. Hierbij kun je denken aan gevolgen van besluiten die door Defensie worden genomen, maar je wordt ook vroegtijdig bijgepraat over (en betrokken bij) arbeidsvoorwaarden.

Lidmaatschap van een afdelingsbestuur is goed te combineren met het werk voor Defensie, ook voor militairen. Doorgaans vergadert een afdelingsbestuur twee keer per jaar voorafgaand aan de Algemene Vergadering. Uiteraard ben je ook welkom als afgevaardigde op deze Algemene Vergadering. Als afdelingsbestuurder heb je rechtstreeks contact met het dagelijks bestuur, bij wie je zaken die spelen op de werkvloer kunt aandragen.

Heb je interesse? Kom dan naar de afdelingsvergadering op woensdag 15 april 2026 om 19.30 uur in gebouw “de Brammert”, Johan Willem Frisokazerne, Balkenweg 3, te Assen, dan praten we je bij. Eerst vrijblijvend kennismaken of meer informatie inwinnen kan uiteraard ook, neem dan contact op met Arjan Princée: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. +31(0)6-53215197.

Overeenstemming over Regeling Militaire Inzet

In het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 is afgesproken dat er een Regeling Militaire Inzet (RMI) moest komen. Reden hiervoor is dat de bestaande regimes zoals de VROB en VVHO, niet meer voldoen in de huidige tijd. In januari 2026 zijn de vakbonden en Defensie met een meerderheidsbesluit de RMI overeengekomen. Dat het even heeft geduurd, komt vooral doordat de uitwerking van de ministeriële regeling meer voeten in aarde had dan op het eerste gezicht werd gedacht.

Wat hadden we jou in het eerdergenoemde akkoord van 2024 toegezegd:

In de nieuwe RMI zullen heldere en eenduidige begripsbepalingen voor de volgende meerdaagse inzetvormen worden opgenomen:


1. Militaire inzet in het kader van operaties (RMI-1)

Hieronder wordt in ieder geval verstaan: feitelijke inzet onder gevechtsomstandigheden van snel inzetbare capaciteit in NAVO- of Europese Unie (EU)-verband ter bescherming van de belangen van de NAVO of EU, (vredes)operaties in internationaal of bondgenootschappelijk verband en als humanitaire operatie aangemerkte militaire inzet voor (nood)hulpverlenende taken buiten Nederland of andere door de Minister als operatie aangewezen militaire inzet buiten Nederland.


2. Militaire inzet in het buitenland (RMI-2)


Hieronder wordt in ieder geval verstaan: inzet samen met NAVO, EU of een ander internationaal verband in het kader van de internationale militaire samenwerking, het leveren van bijstand aan het Caraïbisch deel van Koninkrijk der Nederlanden en het leveren van bijstand en steunverlening aan één van de lidstaten van de EU onder meer waar het gaat om het handhaven of uitvoeren van EU-beleid.


3. Militaire inzet in Nederland (RMI-3)


Hieronder wordt in ieder geval verstaan: militaire steunverlening in het openbaar belang en maatschappelijke dienstverlening door Defensie aan derden binnen Nederland.

De vakbonden en Defensie hebben de nieuwe inzetvormen uitgewerkt, afgebakend en hieraan passende directe en indirecte voorzieningen gekoppeld. Hierbij zijn de zorg en uitzendbescherming belangrijke elementen. Deze voorzieningen zijn aangepast waar Defensie en de bonden gezamenlijk tot de conclusie kwamen dat dit nodig was. Ook zijn er nadere afspraken gemaakt over de vraag tussen welke rechtspositionele en financiële voorzieningen al dan niet (nog) samenloop mogelijk is. Defensie en de vakbonden hebben onvoorziene, ongewenste samenloop of stapeling van voorzieningen en financiële aanspraken voorkomen. Hierbij is van belang dat functionele werkzaamheden van militairen gekoppeld aan hun reguliere plaatsing in het binnen- of buitenland niet behoren tot het begrip militaire inzet.

Dit alles heeft geleid tot een regeling bestaand uit 16 artikelen, een aanpassing van de Regeling Vergoeding voor Overwerk, Onregelmatigheid, Beschikbaarheid en Bereikbaarheid (VROB) maar ook het verwijderen uit het AMAR, besluiten en onderliggende regelingen van het begrip Voorzieningen voor Vredes- en Humanitaire Operaties (VVHO).

We zullen jou per hoofdonderwerp de nieuwe regeling uitleggen en zullen dit artikel afsluiten met wat er nog gedaan moet worden voordat je er ook iets van gaat merken als je ingezet gaat worden.

Aanvang, einde en duur inzet en bijbehorende financiële vergoeding

In grote lijnen kan gesteld worden dat de vergoedingen voor inzet als bedoeld in deze regeling in de plaats komen van de vergoedingen uit de VVHO en de vergoeding voor meerdaagse activiteiten (bijzondere inzet) uit de VROB. Er is evenwel een belangrijk verschil in de aanvang en het einde van de aanspraak. Waar in de VVHO een enigszins complexe bepaling staat, wordt nu door de minister in de aanwijzing voor de missie of operatie of andere vorm van inzet bepaald op welke datum de inzet aanvangt en op welke datum deze eindigt. Deze vereenvoudiging is onder meer bedoeld om een grotere duidelijkheid en zekerheid te scheppen voor het personeel, maar ook een bepaalde flexibiliteit in de regeling te bereiken. Om een aanspraak te ontlenen aan de regeling moet de inzet een aaneengesloten periode van langer dan een etmaal duren. Dit criterium bestond al en blijft bestaan.

Wat de hoogte van de vergoedingen betreft, is met het intrekken van de regeling VVHO ook de tegemoetkoming in de onkosten vervallen. Daarom is de vergoeding voor RMI-1 waarop die onkostenvergoeding betrekking zou hebben, extra verhoogd bovenop het in het arbeidsvoorwaardenakkoord ’21-’23 afgesproken bedrag. De vergoedingen zijn ook aangepast aan de reeds overeengekomen salarisverhogingen 2024 & 2025. Het voordeel van het opnemen van de onkostenvergoeding in de dagvergoeding is dat deze de toekomstige salarisverhogingen volgt (de vergoeding was al vele jaren niet geïndexeerd) en dat er ook premievrij voor 50% pensioen over wordt opgebouwd. Het nadeel is dat het invloed kan hebben op jouw eventuele toeslagen. De vergoedingen per dag zijn:

a. € 250,- bij RMI-1;

b. € 200,- bij RMI-2;

c. € 150,- bij RMI-3.  

Huisvesting en voeding: Het uitgangspunt blijft dat de militair die is ingezet, geen voor diens rekening blijvende kosten heeft in relatie tot de huisvesting en voeding die is verbonden aan de inzet. Met andere woorden: vrije kost en inwoning tijdens inzet.

Waar dat niet mogelijk is, heeft de militair aanspraak op vergoeding van de in redelijkheid te maken of in redelijkheid gemaakte kosten, een en ander te beoordelen door Defensie. Dit is de uitzondering.

Recuperatie: Dit is een rustperiode tijdens de inzet. Recuperatie is geen verlof en er bestaat evenmin aanspraak op recuperatie. Of recuperatie kan plaatsvinden (en de duur ervan) is een operationele afweging van de Commandant der Strijdkrachten (CDS). Hij bepaalt in hoeverre, hoe lang, op welke wijze en waar de recuperatie plaatsvindt en treft voorzieningen voor vervoer, huisvesting en voeding. Alleen als de inzet langer duurt dan vier maanden kan recuperatie (als die plaatsvindt) op verzoek van de militair elders worden doorgebracht. Echter: er bestaat dan geen aanspraak op vergoeding van vervoer, huisvesting en voeding. Als de militair in zo’n geval verzoekt om de recuperatie in Nederland of in het land van plaatsing door te brengen en de inzet langer duurt dan zes maanden, dan komen de kosten van de retourreis voor rekening van Defensie. Bij een inzet van langer dan twaalf maanden kan de retourreis eenmaal per vier maanden voor rekening van Defensie plaatsvinden. In al deze gevallen bepaalt de CDS de duur van de recuperatie, waarbij als vuistregel een recuperatieduur van 2,5 dag per maand inzetduur zal worden gehanteerd (indien operationele omstandigheden dit mogelijk maken).

Verlof na afloop van de inzet: Na definitieve terugkeer in Nederland (of in het land van plaatsing) na afloop van de inzet buiten Nederland, heeft de militair aanspraak op vrijstelling van werkzaamheden en diensten van twee werkdagen voor elke maand dat de inzet heeft geduurd met een maximum van tien werkdagen per inzet. Dat betekent dat er bij een inzet van vijf maanden aanspraak bestaat op tien werkdagen vrij van dienst. Als de inzet zes maanden of langer heeft geduurd blijft dit tien werkdagen.

Inzetgratificatie: De militair die meerdere malen voor perioden van ten minste 30 aaneengesloten dagen is ingezet buiten Nederland, heeft telkens wanneer deze perioden cumulatief tot 365 dagen zijn opgelopen, aanspraak op een inzetgratificatie van €1.500,-.

Zorg voor, tijdens en na inzet: De CDS of de commandant van de ingezette eenheid als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid van het Veteranenbesluit, zorgt ervoor dat de militair voor, tijdens en na inzet de zorg ontvangt als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van het Veteranenbesluit. Dit is ongeacht of de militair aan de inzet de veteranenstatus ontleent of wordt aangemerkt als militair dienstslachtoffer in de zin van artikel 18 van het Veteranenbesluit.

Inzetvrije periode: De inzetvrije periode komt in de plaats van de tot nu toe gehanteerde ‘uitzendbescherming’ voor een uitzending onder de VVHO. De inzetvrije periode ziet op bescherming voor inzet buiten Nederland. Net zoals bij de ‘oude’ uitzendbescherming, gaat het voor de opbouw van de aanspraak om perioden van inzet van ten minste 30 dagen aaneengesloten. Telkens wanneer hierdoor in een tijdvak van 365 dagen cumulatief een aantal dagen inzet van 180 wordt bereikt, heeft de militair aanspraak op een periode waarbinnen hij in beginsel niet wordt ingezet maar alleen functionele werkzaamheden verricht. Deze 365 en 180 dagen zijn termijnen die bij de uitzendbescherming VVHO niet worden gehanteerd en dus nieuw zijn. In de onderstaande figuren zal worden verduidelijkt wat dit nu betekent. Deze inzetvrije periode bedraagt 60 dagen voor elke aaneengesloten periode van 30 dagen RMI-1 inzet en 15 dagen voor elke aaneengesloten periode van 30 dagen RMI-2 inzet. Deze inzetvrije periode wordt in beginsel direct aansluitend aan de inzet geëffectueerd, maar dit kan ook op een later tijdstip. Als er een later tijdstip wordt gekozen, dan wordt daarbij rekening gehouden met de voorkeur van de militair. De effectuering van de inzetvrije periode geschiedt in perioden van 30 dagen en zo mogelijk binnen de resterende plaatsingsduur bij het onderdeel. Indien de militair wederom voor een periode van ten minste 30 dagen aaneengesloten wordt ingezet vóórdat de aanspraak op een inzetvrije periode is geëffectueerd, wordt de dan ontstane aanspraak op een inzetvrije periode opgeteld bij de bestaande aanspraak en begint een nieuw tijdvak van 365 dagen te lopen, onder handhaving van de resterende aanspraak.

Hieronder zijn de mogelijkheden gevisualiseerd met een viertal voorbeelden, die de inzetvrije periode (aanspraak) dan wel de niet-ingezette periode weergeven. (Met niet-ingezette periode wordt bedoeld dat de militair weliswaar geen aanspraak heeft, maar wel hetzelfde doel bereikt, inzetvrij zijn). Voor de goede orde: deze voorbeelden zijn niet uitputtend.

Werk- en rusttijden: Gedurende de inzet zijn – voor zover dat voor een goede taakuitoefening nodig is – hoofdstuk 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en de bepalingen van de Arbeidstijdenwet niet van toepassing.

Verlof: In beginsel wordt tijdens de inzet geen verlof verleend aan de militair: geen vakantieverlof en ook geen buitengewoon verlof. Maar voor de omstandigheden die genoemd worden in artikel 87a van het AMAR, zoals ernstige ziekte, bevalling of overlijden van de partner van de militair, kan indien mogelijk wel buitengewoon verlof worden verleend.

Veteranenstatus en medailles: Of een militair aan een inzet de veteranenstatus ontleent, volgt rechtstreeks uit de Veteranenwet. Het is wel belangrijk te vermelden dat de huidige criteria of aan een inzet wel of niet deze status wordt verleend, niet is veranderd met de introductie van deze regeling. Medailles worden toegekend volgens de daarvoor geldende procedures en instellingsbesluiten.

Hoe nu verder?

Wat staat er nog open en wanneer wordt deze regeling van kracht? Tussen Defensie en de bonden is overeenstemming bereikt over de regeling zoals hierboven beschreven. Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat er nog wel enige tijd overheen zal gaan voordat het formele (wetgevings)traject is afgerond en om besluiten aangepast te krijgen. Wij, als VBM/BBTV, verwachten dat dit in de loop van 2026 een feit zal zijn.

Waar wij met Defensie nog nadere afspraken over moeten maken, zijn objectieve criteria om een specifieke inzet te kunnen categoriseren onder RMI-1, 2 of 3. Hierbij zal de moeilijkheid vooral liggen bij het vastleggen van het onderscheid tussen RMI-1 en RMI-2. Dit heeft voor ons nu prioriteit. We willen dit met Defensie helder krijgen vóórdat de bovengenoemde wetgevingsprocedure is afgerond en de RMI in werking treedt.

Defensie en vakbonden maken betere afspraken over ‘OPCO-wissel’

Defensie en de vakbonden hebben op 13 januari 2026 definitieve afspraken vastgelegd over de overstap naar een ander OPCO. Op grond van artikel 12a van het AMAR kan een militair op zijn aanvraag worden bestemd voor een andere functie of groep van functies en daarbij worden ingedeeld bij een ander operationeel commando (OPCO). Dit wordt ook wel een ‘OPCO-wissel’ genoemd.

Op zich bestond deze mogelijkheid natuurlijk al, maar de bestaande regeling werd in sommige gevallen door de werkgever verkeerd geïnterpreteerd, met negatieve consequenties voor de militair. Zo werd soms ten onrechte geschermd met een opzegtermijn of een restitutieverplichting (van de opleidingskosten).

In de nieuwe regeling doet de militair zijn aanvraag voor een OPCO-wissel bij het Dienstencentrum Employability (DCE), dat op 1 mei 2025 is opgericht. De betreffende militair zal hierin worden geadviseerd en ondersteund door een employabilitybegeleider. Een OPCO-wissel gaat over het algemeen samen met een nieuwe functietoewijzing. Er is daarom feitelijk sprake van twee besluiten: het besluit tot functietoewijzing en het besluit tot OPCO-wissel. Tot 1 januari 2026 lag de beslissingsbevoegdheid voor de OPCO-wissel bij het ontvangende OPCO. Dit is gewijzigd: deze bevoegdheid ligt nu bij het DCE. Maar de beslissingsbevoegdheid over de functietoewijzing blijft wel bij het ontvangende OPCO liggen.
De OPCO’s stemmen onderling de datum aanvang functievervulling en OPCO-wissel af en informeren de militair en het DCE hierover.

Wat als de OPCO’s onderling niet tot overeenstemming komen? Bij eventuele botsende belangen is vastgelegd dat het DCE bevoegd is om rechtspositionele besluiten te nemen. Het DCE kan in zo’n geval dus een besluit nemen over de ingangsdatum van de OPCO-wissel. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen de belangen van de militair, het ontvangende OPCO en het zendende OPCO, in combinatie met eventuele (loopbaan)afspraken met de militair.

Let op: de OPCO-wissel gaat niet gepaard met een ontslag- of aannameprocedure. Er geldt dan ook geen opzegtermijn. Ook is wel of geen ‘beschikbaarheid’ van de militair geen reden om een verzoek tot een OPCO-wissel af te wijzen. Een dienverplichting is evenmin een reden om een verzoek om OPCO-wissel af te wijzen. Een OPCO-wissel leidt ook niet tot een ‘terugbetalingsverplichting’ op het moment van overgang van OPCO A naar OPCO B.

Wanneer de militair is aangewezen voor een inzet of uitzending, dan vindt de OPCO-wissel ná afronding van deze inzet/uitzending plaats. Indien de taakvervulling van de krijgsmacht in het gedrang komt, kan met toepassing van artikel 20, eerste lid, onder a, van het AMAR worden besloten de geambieerde functie met ingang van een latere datum toe te wijzen. De OPCO-wissel gaat dan op die latere datum in.

De OPCO-wissel vindt plaats vóór aanvang van eventueel te volgen opleidingen bij het ontvangende OPCO. Bij herbestemming van een militair die nog in de initiële opleiding zit, volgt een nieuwe initiële opleiding.

Besluit in 8 weken

Een OPCO-wissel is alleen mogelijk als er een functie beschikbaar is voor de betreffende militair bij het ontvangende OPCO. Wanneer de militair verzoekt om een OPCO-wissel, neemt het DCE binnen een termijn van 8 weken het besluit hierover. Het ontvangende OPCO neemt daarna het besluit tot functietoewijzing (en eventuele bevordering, eventuele al eerder opgelegde restitutieverplichting, etc.).

Perspectief bij uitstel

Zoals eerder aangegeven kan Defensie de geambieerde functie met ingang van een latere datum toewijzen, als dat noodzakelijk is voor de taakvervulling door de krijgsmacht. De militair moet in dat geval wel perspectief worden geboden met betrekking tot de termijn waarbinnen de functietoewijzing en de OPCO-wissel dan wel kunnen ingaan. Deze termijn bedraagt in beginsel maximaal zes maanden na de in de vacaturetekst vermelde gewenste vullingsdatum.
Het is niet mogelijk dat de militair een OPCO-wissel helemaal wordt ontzegd.


(Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend. De exacte afspraken zijn terug te vinden in de Nota Wijziging van bestemming en OPCO-indeling militair personeel.)

Van vredesdividend naar gevechtskracht: coalitie onderkent noodzaak investeringen

De VBM/BBTV constateert dat in het op 30 januari gepresenteerde coalitieakkoord ‘Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland’, de noodzakelijke stappen worden gezet op het gebied van Defensie en internationale veiligheid. De coalitie van D66, VVD en CDA schaalt de defensie-uitgaven op en voldoet daarmee (vanaf 2035) ook aan de NAVO-norm van 3,5% van het bbp. Dit betekent (een groeipad naar) een structurele investering van 19,3 miljard euro in 2035. Om voor de lange termijn zekerheid te creëren, wil de coalitie bovendien de 3,5%-norm wettelijk vastleggen.

Er worden duidelijke stappen vooruit gezet: de coalitie wil bouwen aan een schaalbare krijgsmacht van minimaal 122.000 mensen. Het dienjaar wordt fors opgeschaald, de operationele capaciteit van de MIVD wordt vergroot en cybercapaciteiten – zowel defensief als offensief – worden uitgebreid en beter gecoördineerd. Ook zullen de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee en de verdediging van het Caribisch deel van het Koninkrijk worden versterkt. Tevens wordt er een defensie-innovatieautoriteit opgericht naar het voorbeeld van het Amerikaanse DARPA. Lelystad Airport wordt in gebruik genomen als luchtmachtbasis voor Defensie en voor civiel medegebruik.

Veel bruggen, tunnels, spoorwegen en sluizen naderen het einde van hun levensduur. Deze onderhoudsopgave zal de komende jaren voorrang krijgen in het toebedelen van beschikbare middelen, waarbij de strategische kansen van dual-use met Defensie worden benut.

Om voorbereid te zijn op de oorlogen van morgen moet daarnaast ook de defensie-industrie de ruimte krijgen om te groeien.

De coalitie staat – zo lezen we in het akkoord – constructief tegenover het versterken van een Europese nucleaire afschrikking. Voor strategische capaciteiten die voor individuele landen te kostbaar zijn, wil men inzetten op gezamenlijke aanschaf in gebruikerspoules.

WODG

De VBM/BBTV plaatst wel een kanttekening bij de wens van de coalitie om de Wet op de Defensiegereedheid ‘zo snel mogelijk’ te willen invoeren. Defensie heeft ruimte nodig om personeel te kunnen huisvesten en om te kunnen oefenen. Echter, naar aanleiding van het wetsvoorstel heeft de VBM in juni 2025 zijn zorgen geuit over de rechtszekerheid, de gevolgen voor defensiepersoneel en de onduidelijkheid in de wetstekst, die erop gericht lijkt te zijn de bestaande wetgeving te willen omzeilen.

Vrijheidsbijdrage

Om de investeringen in Defensie te kunnen betalen wordt een vrijheidsbijdrage ingevoerd voor burgers en bedrijven. Daarnaast zit er een aantal bezuinigingen in het coalitieakkoord. Zo wil de coalitie de AOW-leeftijd vanaf 2033 weer volledig koppelen aan de levensverwachting en wordt de WW-uitkering verkort naar één jaar. In dat jaar wordt de uitkering overigens wel hoger.

De tekst van het coalitieakkoord vind je hier. 

VBD gewijzigd vanwege EU-verordening 883

Er is sinds 1 januari een nieuwe structurele ziektekostenregeling voor meeverhuisde, niet-actieve (geen eigen inkomsten hebbende) gezinsleden van militairen die wonen in een ‘verordeningsland’ (EU, Europese Economische Ruimte, Zwitserland) of het Verenigd Koninkrijk. Dit was nodig vanwege de EU-verordening 883. Volgens die verordening moet degene die in een ander verordeningsland dan het herkomstland woont, in het woonland verzekerd zijn. Dit zou zeer ongunstig uitpakken voor (vooral) deze meeverhuizende gezinsleden. Per 1 januari 2024 had Defensie al voorzien in een tussenoplossing voor deze gezinsleden, in de vorm van een tijdelijke expatverzekering. Door aanpassing van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) is nu een structurele oplossing gevonden.

De vakbonden hadden sterke voorkeur voor een andere oplossing, in de vorm van een uitzondering op EU-verordening 883. Ondanks intensief overleg tussen Defensie, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bleek een uitzondering echter niet mogelijk.

In het VBD zijn daarom nu bepalingen opgenomen die regelen dat deze gezinsleden alsnog de mogelijkheid krijgen een zorgverzekering af te sluiten. Dit geldt ook voor de zogeheten grensgangers, medewerkers die op eigen initiatief in Duitsland of België zijn gaan wonen.

De voorziening wordt een uitbreiding van de taken van de SZVK die deze belegt bij haar uitvoerder (nu per 2026 DSW). Defensie houdt de premie van de basisverzekering voor gezinsleden boven de 18 jaar in op het salaris van de defensieambtenaar. Defensie betaalt de premie van de aanvullende verzekering en is ook risicodrager voor kosten die in het buitenland boven het Nederlandse prijspeil uitkomen. De defensiemedewerker moet de niet-actieve gezinsleden aanmelden via DCIOD (en de eventueel al bestaande expatverzekering zelf opzeggen).

Deze regeling geldt voor alle met toestemming van Defensie meeverhuisde, niet-actieve gezinsleden van defensiemedewerkers die geplaatst zijn in een verordeningsland of het Verenigd Koninkrijk. Een niet-actief gezinslid is een gezinslid dat niet in dienstbetrekking of als zelfstandige werkt en ook geen werkloosheidsuitkering ontvangt. Hiervoor geldt geen inkomensgrens.
Er is geen medische selectie of leeftijdsgrens aan de voorkant.

Niet-verordeningslanden

Naast wijzigingen vanwege de EU-verordening 883 biedt het VBD ook aanspraak op een collectieve zorgverzekering voor het gezin van militair personeel in niet-verordeningslanden, dus elders in de wereld. Collega’s op een buitenlandse diplomatieke post kunnen deze zorgverzekering dus voor hun gezin afsluiten. In het buitenland geplaatste burgerambtenaren maken hier zelf aanspraak op. Voor de niet-actieve gezinsleden in de rest van de wereld geldt wél een inkomensgrens van € 6.239 per jaar (Dit betreft inkomsten buiten Nederland volgens artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel via een buitenlandse sociale zekerheidsuitkering.) Als gezinsleden onder deze inkomensgrens blijven, worden ze als niet-actief beschouwd en kunnen ze zich aanmelden voor de wereld collectiviteit.

Hoewel de VBM/BBTV liever had gezien dat gezinsleden van defensiepersoneel een uitzonderingspositie op de EU-verordening hadden gekregen, toont Defensie met deze oplossing goed werkgeverschap. Meer informatie staat op https://www.szvk.nl/consumenten/gezinsleden-eu. Met vragen kun je ook terecht bij het Dienstencentrum Internationale Ondersteuning Defensie (DCIOD).

Te hoge Toelage Buitenland voor personeel op Curaçao en Sint Maarten

Eind 2025 kreeg de Helpdesk van de VBM van meerdere leden die zijn tewerkgesteld op Aruba of Bonaire de vraag, waarom hun toelage sterk negatief afweek van hun collega’s op de andere 2 eilanden. Wij hebben dit signaal aan de orde gesteld bij Defensie, dat vervolgens een nader onderzoek heeft verricht. Hieruit bleek dat personeel dat voor Defensie op Curaçao of Sint Maarten is geplaatst, vanaf november 2025 een te hoge Toelage Buitenland heeft ontvangen. Met ingang van februari 2026 zal dit personeel weer de correcte toelage krijgen. Het teveel ontvangen bedrag wordt niet teruggevorderd.

De Toelage Buitenland bestaat uit 3 componenten: de koopkrachtcomponent, de verblijfscomponent en de verplaatsingscomponent. Voor het berekenen van de hoogte van de toelage wordt gebruikgemaakt van een dataset die wordt aangeleverd door een externe partij. In de aangeleverde dataset van oktober 2025 is een fout gemaakt.

De fout zit in de koopkrachtcomponent (KKC). De KKC is een percentage dat de ‘relatieve duurte’ aangeeft in een bepaald land ten opzichte van Nederland. De KKC zorgt er dus voor dat de koopkracht die de militair of burger in Nederland had, gehandhaafd blijft in het land van plaatsing. De KKC wordt bepaald op basis van de prijs van producten in de boodschappenmand en de koers van de lokale valuta ten opzichte van de euro. Deze ‘index’ wordt tweemaal per jaar aangeleverd door een externe partij: in april voor de berekening vanaf de maand mei en in oktober voor de berekening vanaf de maand november. In de tussenliggende maanden kan de index nog gecorrigeerd worden voor eventuele koersschommelingen. Dit leidt zo tot de berekening van de KKC. Deze gegevens worden ook gebruikt voor de berekening van de verblijfscomponent.
In oktober 2025 is een verkeerde (te hoge) index aangeleverd voor de eilanden Curaçao en Sint Maarten. Met als gevolg dat het personeel geplaatst op die eilanden met het salaris van november en december 2025 een te hoge Toelage Buitenland heeft ontvangen.
Personeel geplaatst op Aruba of Bonaire ontving wel de correcte toelage.
Toen de fout was ontdekt, heeft de externe partij alsnog een correcte dataset aangeleverd voor Curaçao en Sint Maarten. Deze zal vanaf februari 2026 worden gehanteerd, zodat het betreffende personeel met ingang van die maand weer de juiste toelage zal ontvangen.
Defensie heeft de centrales (de vakbonden) hierover geïnformeerd.

Vakbonden naar advies- en arbitragecommissie om Groeiplan Defensie

Op 11 december 2025 heeft de staatssecretaris van Defensie een eenzijdig besluit genomen over het ‘Groeiplan Defensie’. Kern van zijn standpunt is dat hij van mening is dat het groeiplan geen overeenstemming met de vakbonden behoeft, omdat hij van mening is dat het de rechtspositie van het personeel niet raakt.

 

Wij zijn het daar vanzelfsprekend niet mee eens. De uitkomst van veranderingen zoals reorganisaties en herindelingen van kazernes raken de rechtspositie van militairen (en burgerpersoneel) wel degelijk.

Wij voelen ons dan ook genoodzaakt om deze handelswijze van de staatssecretaris voor te leggen aan de advies- en arbitragecommissie (AAC).

 

In een extra vergadering op 8 januari hebben wij de staatssecretaris gevraagd of hij wil terugkeren op zijn eenzijdige besluit. De staatssecretaris heeft aangegeven bij zijn besluit te blijven. Daarna hebben wij hem verzocht om gezamenlijk een arbitrage aan te vragen over dit onderwerp. De staatssecretaris is daartoe niet bereid. Ten slotte hebben wij hem verzocht om gezamenlijk advies over dit onderwerp aan te vragen. Ook daartoe is de staatssecretaris niet bereid. Dan blijft voor ons alleen nog de mogelijkheid over om vanaf de zijde van de centrales (de bonden) een adviesaanvraag in te dienen bij de AAC. Deze hebben wij op maandag 12 januari aangeboden.

 

Wij doen dit in gezamenlijkheid met alle centrales, omdat het voor ons allen een principieel vraagstuk is. Wij hebben de staatssecretaris en de hoofddirecteur personeel (HDP) opgeroepen om zich te houden aan bestaande wet- en regelgeving en gemaakte afspraken en dus de implementatie van het Groeiplan Defensie aan te houden tot er een advies is van de AAC. Ook hiertoe is de staatssecretaris niet bereid.

 

Wij betreuren dat wij nu met de staatssecretaris een geschil hebben over iets wat wij  als vakbonden ook een belangrijk onderwerp vinden. Ook wij voelen het belang van de transformatie van de defensieorganisatie. Wij vinden echter dat dit niet alleen snel moet, maar ook zorgvuldig.

 

Juist omdat we de transformatie van de krijgsmacht belangrijk vinden, gaat al het andere overleg wel door. Ook als het gaat om uitbreidingsplannen houden wij ons aan de gemaakte afspraken zoals afgesproken in de ‘Bijlage groei’. 

 

De afgelopen maanden hebben de vakbonden meermaals met de staatssecretaris overlegd over dit onderwerp. Vanuit de vakbonden zijn diverse voorstellen gedaan om een zorgvuldige behandeling van reorganisatie- en uitbreidingsplannen – groot en klein – vast te leggen. Daarbij gaat het onder meer om toegang van defensiemedewerkers tot het sollicitatieproces, een juiste functietoewijzing, tijdige bevorderingen, correcte toepassing van het afspiegelingsbeginsel voor burgermedewerkers en het juist hanteren van de 'datum begin geldige eenheid'.

 

Zie dit artikel van 18 december 2025 voor meer achtergrondinformatie: https://www.vbm.info/actueel-2/groei-plan-defensie-eenzijdig-vastgesteld-vakbonden-zeer-ontstemd